HYPERTHYREOIDIE BIJ KATTEN
Inleiding
Een overactieve schildklier (hyperthyreoïdie) is de meest voorkomende hormonale stoornis bij katten. In meer dan 95% van de gevallen is de oorzaak een goedaardige tumor in de schildklier, waardoor deze te veel schildklierhormoon produceert.
Dit hormoon stuurt de stofwisseling in het hele lichaam. Deze overproductie leidt tot een intensievere stofwisseling, waarbij verschillende lichaamsprocessen ernstig beïnvloed worden.
Verschijselen
Meestal is er sprake van vermagering ondanks een goede eetlust. De vacht wordt dof en onverzorgd en de dieren drinken en plassen meer.
Het gedrag kan veranderen, de dieren zijn hyperactief en soms ongedurig. Darmproblemen kunnen ontstaan, wat zich uit in braken of diarree. Het dier heeft soms hartklachten doordat het hart overbelast raakt.
In 10 tot 20% van de gevallen van overactieve schildklier zijn er alleen enkele afzonderlijke, onspecifieke ziektverschijnselen waar te nemen. Bij zulke zogeheten ‘atypische gevallen’ kunnen katten zelfs een normaal gewicht behouden of zich rustig of depressief gedragen. Aangezien een overactieve schildklier vooral bij oudere katten voorkomt, is het raadzaam bij oudere katten preventief een schildklieronderzoek te laten doen.
Diagnose
Uit het bovenstaande zal duideljk zijn dat er niet één verschijnsel is, waardoor we met zekerheid kunnen zeggen dat het dier een schildklierprobleem heeft. Verder onderzoek is dus nodig.
Het eerste wat we doen is een algeheel lichamelijk onderzoek. We letten hierbij op de conditie van het dier, luisteren naar zijn hart en voelen naar de schildklieren. Als die te voelen zijn, zijn ze te groot.
Dit betekent echter niet altijd dat er teveel hormoon geproduceerd wordt. Om dit vast te stellen nemen we een bloedmonster waarin de hoevelheid schildklierhormoon bepaald wordt. Dit geeft zekerheid over de productie van de schildklier.
Bij oudere patienten is het verstandig om meteen lever en nierfunctie na te laten kijken om een beter idee over de conditie van de kat te krijgen.
Vroegtijdige diagnose is belangrijk!
Als de schildklieraandoening niet op tijd wordt vastgesteld en behandeld, dan leven de zieke katten over het algemeen niet langer dan 1 tot 2 jaar. De vroegtijdige dood van het dier is vooral te wijten aan de veranderingen in het hart. Door de chronische overbelasting van het hart kan de hartspier namelijk dikker worden en sluiten de kleppen onvoldoende.
Door de hoge bloeddruk kunnen ook de nieren worden beschadigd.
Behandeling
1. Medicatie:
Er zijn medicijnen die de hoeveelheid hormoon afremmen. Helaas remmen deze medicijnen de groei van de schildklier niet. Eerst krijgt de kat enige tijd een zogenaamde startdosis. Tijdens deze instelfase moet het bloed regelmatig worden gecontroleerd om het succes van de behandeling te kunnen vaststellen en de juiste onderhoudsdosis te kunnen bepalen. Daarna krijgt de kat een ‘onderhoudsdosis’. Vanaf dat moment is het raadzaam om de kat elk halfjaar te laten onderzoeken.
De kat moet dit geneesmiddel gedurende de rest van zijn leven iedere dag toegediend krijgen.
2. Operatie:
Als er besloten wordt om te opereren, dan moeten een aantal dingen van tevoren gedaan worden:
- om te beginnen, de toestand van het dier moet gestabiliseerd worden door het schildklierremmend geneesmiddel 2 tot 3 weken lang toe te dienen.
- behalve dit, is ook uiterst belangrijk om vóór de operatie een scan te laten maken om de aanwezigheid van schildklierweefsel op andere plekken (ectopische schildklieren), uit te sluiten.
Pas daarna mag de operatie uitgevoerd worden. De operatie wordt wel uitgevoerd door gespecialiseerde dierenartsen, maar houdt toch altijd een zeker risico in. Vlakbij de schildklier ligt namelijk de bijschildklier. Wanneer dit orgaantje wordt beschadigd of zelfs verwijderd, dan ontstaat een levensgevaarlijk tekort aan calcium in het bloed. Bij sommige katten kan een tweede operatie of behandeling met medicijnen nodig zijn.
3. Radiologische joodbehandeling:
Bij de radiologische joodbehandeling wordt radioactief jood (jodium-131) toegediend. Dit vernietigt het overactieve schildklierweefsel zonder het gezonde, normale schildklierweefsel aan te tasten. Deze behandeling wordt alleen uitgevoerd in enkele centra die daarvoor zijn uitgerust en daar speciaal toestemming voor hebben in het kader van de regelgeving over bescherming tegen stralingsgevaar. Hoewel dit een zeer efficiënte behandeling is, heeft deze methode een groot nadeel: het gebruik van radioactieve stoffen. De kat dient te worden opgenomen en in een speciaal geïsoleerde ruimte te blijven tot de radioactiviteit voldoende is afgenomen.
In Nederland kan deze behandeling plaats nemen in Dierenkliniek Lingehoeve (Lienden). Een andere mogelijkheid is de Faculteit Dierengeneeskunde in Gent.


Nieraandoeningen bij huisdieren: chronische nierinsufficiëntie
Inleiding
De nieren zijn de “filters” van het lichaam. Ze zijn de voornaamste organen voor het verwijderen van afvalstoffen en producten afkomstig van de stofwisseling. Nieren spelen daarnaast ook een rol bij de aanmaak van rode bloedcellen en natuurlijk bij de water- en mineralenhuishouding.
Als het nierweefsel is aangetast, valt een deel van de nierfilters met bijbehorende nierbuisjes uit. De overgebleven nierfilters gaan extra hard werken om de taken over te nemen.
Dit lukt in eerste instantie meestal goed. Pas als er te weinig gezond weefsel over is om de taken te vervullen, kunnen de nieren het niet meer bolwerken. Belangrijk is het om te weten dat uw huisdier pas verschijnselen gaat vertonen wanneer meer dan 75% van de niercellen is aangetast.
Vroege diagnose is erg belangrijk voor de behandelingsstrategie. Hoe eerder gestart kan worden met een behandeling, hoe beter de levenskwaliteit.
Symptomen
De symptomen beginnen meestal heel discreet met wat meer drinken dan normaal en de vacht die niet meer zo mooi glimt.
In een later stadium begint het dier meer te drinken (polydipsie) en meer te plassen (polyurie) dan normaal.
Een deel van de klachten is het gevolg van het circuleren van een bepaalde gifstof in het bloed, het zogenaamde ureum.
Een verhoogd ureum veroorzaakt de volgende symptomen
·een misselijkmakend gevoel en daardoor een slechte eetlust, met vermageren als gevolg
·een ontsteking van het maag- en darmslijmvlies, en daardoor braken
·zweren en ontstekingen in de bek. Er onstaat ook een afwijkende geur. Dit laatste omdat bacteriën in de mond ureum in ammoniak omzetten.
Diagnose
De diagnose van chronische nierinsufficiëntie is gemakkelijk te stellen.
Aan de hand van de symptomen hebben we al een duidelijk vermoeden. Een bloed- en urineonderzoek geven ons uiteindelijk uitsluitsel.
Bloed:
We bepalen 2 stofjes in het bloed: creatinine en ureum.
Als die in het bloed gestegen zijn, is het heel indicatief voor een verminderde functie van de nieren.
Urine:
Bij het urineonderzoek gaan we vooral het soortelijk gewicht (de concentratie) van de urine bepalen. Een gezonde dier kan gemakkelijk urine produceren met een soortelijk gewicht hoger dan 1.020 (het soortelijk gewicht van water is 1.000) Als het soortelijk gewicht van de urine daalt dan wil dit zeggen dat de nieren onvoldoende vermogen hebben om te concentreren en dat de afvalstoffen niet voldoende worden uitgescheiden maar achterblijven in het bloed.
Behandeling
Als de diagnose is gesteld dan is uw huisdier voor de rest van zijn leven nierpatiënt.
Chronische nierinsufficiëntie is namelijk niet te genezen.
Er is echter wel goed mee te leven door een aangepast dieet en de juiste medicijnen.
Het allerbelangrijkste is het dieet.
Dit moet een eiwit- en fosforarm dieet zijn omdat anders de nieren extra belast worden.
Soms zijn er medicijnen nodig die de bloeddruk verlagen en daardoor de nierdoorbloeding verbeteren.
Op die manier verlagen ze het eiwitverlies in de urine.
Tevens bestaan er medicijnen tegen braken en om de eetlust te verhogen.
Als een kat erg ziek is, niet eet en erg hoge nierwaarden heeft is het nodig om d.m.v. infuustherapie het lichaam te spoelen.
Zo wordt ook de eventuele uitdroging gecorrigeerd.
Een echte dialyse is anno 2009 nog geen optie.
Niertransplantaties zoals bij mensen worden in Nederland als niet ethisch verantwoord gezien en worden alleen op beperkte schaal in de U.S.A. uitgevoerd onder strikte voorwaarden.
Preventie
Echt voorkomen kunnen we de ziekte niet voor zover we nu weten.
Mocht u opmerken dat uw huisdier meer drinkt dan normaal dan is het verstandig een bloed- en urineonderzoek te laten doen.
Een aangepast seniorendieet is zeker aan te raden bij onze bejaarde huisdieren.
Helaas is een chronische nierinsufficiëntie in tegenstelling tot een acuut nierprobleem een onomkeerbare ziekte waarbij het verlies van nierfunctie progressief verloopt.
De plaskater
Inleiding
De naam plaskater wordt gebruikt voor een kater die plotseling niet meer kan plassen, meestal veroorzaakt door een verstopping van de plasbuis (urethra) tgv. een soort steentjes (gruis) die in de plasbuis vastlopen. Ook poezen kunnen er last van hebben, maar bij een poes is de plasbuis wijder, waardoor er veel minder vaak een verstopping optreedt.
Oorzaken
Verschillende factoren spelen een rol bij het ontstaan van blaasgruis:
1.- Voeding: voeding die teveel kristalvormende mineralen bevat is een belangrijke factor. Tevens bepaalt de voeding de zuurgraad van de urine, welke ook van belang is bij het ontstaan van blaasgruis.
2.- Gewicht : daarnaast zie je meer blaasgruisproblemen bij katten met weinig beweging en overgewicht.
3.- Huisvestiging: ook weinig drinken, waardoor de urine geconcentreerder is, en een lage plasfrequentie (bv. door vuile kattenbak of een voor de kat vervelende plaats waar de kattenbak staat) bevorderen het ontstaan van blaasgruis.
Symptomen
- Urine met bloed erin, abnormale kleur van de urine.
- Veel persen tijdens de mictie (het plassen), of vaak plassen van slechts kleine hoeveelheden
- Miauwen of schreeuwen als zij/hij op de kattenbak zit
- Gedragsveranderingen als lusteloosheid of juist onrust, vaak naar de kattenbak lopen, klaaglijk
miauwen, zich verstoppen of niet willen eten, veelvuldig likken rond anus en penis of vulva.
- Plots plassen op afwijkende plaatsen
- Abnormale houding tijdens het plassen
Deze symptomen zie je ook bij een blaasontsteking, maar een verstopping is zo niet uit te sluiten. Het is heel belangrijk dat u deze verschijnselen herkent. Een blaasontsteking is onaangenaam en vaak pijnlijk voor uw kat, maar als er een verstopping bij komt dan kan dit, als het te lang duurt, levensbedreigend zijn voor uw huisdier. Het dier kan niet meer plassen en de blaas raakt overvol.Omdat de urine niet meer afgevoerd wordt, kunnen de nieren de afvalstoffen niet langer uit het lichaam verwijderen en ontstaat er een ophoping van deze stoffen in het lichaam. Het dier vergiftigt zichzelf en er kan ernstige schade ontstaan, o.a. aan de nieren. Uw kat kan er zelfs dood aan gaan.
Een verstopping is echt een spoedgeval !!!
Diagnose:
Twee vragen zijn erg belangrijk voor een goede diagnose
- Is er sprake van een plasbuis verstopping?
- Zitten er kristallen in de urine en zo ja, welk type?
Het is vooral van belang te controleren of de blaas niet overvuld is. Dat wordt gedaan door de grootte van de blaas in de buik te voelen.
Urine-onderzoek kan vervolgens uitwijzen of er spake is van een door gruis veroorzaakte blaasontsteking. Wanneer er geen sprake is van gruisvorming, kan worden volstaan met het geven van een antibioticakuur. Als er sprake is van blaasgruis (of een door blaasgruis veroorzaakte blaasontsteking) is het belangrijk te weten welk type blaasgruis de problemen veroorzaakt. Dan volgt na een aantal weken een urineonderzoek om te controleren of de urine nu ook werkelijk gruisvrij is. Later wordt overgeschakeld op een blaasgruis voorkomend dieet dat levenslang wordt verstrekt omdat anders 70% kans bestaat dat het gruis terugkomt! Het is verstandig elk half jaar een urine-onderzoek te laten uitvoeren.
Verder kan de dierenarts nog röntgenfoto’s nemen om te kijken of er sprake is van blaasstenen, een tumor, poliepen of een aangetaste blaaswand. Verder onderzoek kan bestaan uit een echo, of bacteriëel onderzoek (uitsluitend uit urine door blaaspunctie verkregen, steriele urine dus). Lang niet alle "blaasontstekingen" hebben bacteriën of blaasgruis als oorzaak, en antibiotica zullen dus niet in alle gevallen aangewezen zijn. Ondanks het feit dat bij deze katten de oorzaak onbekend is, reageren veel katten goed op een blaasdieetvoeding.
Behandeling
Allereerst dient uitgemaakt te worden er alleen sprake is van een blaasontsteking of dat er toch sprake is van een verstopping.
In geval van een blaasontsteking zal er een behandeling moeten plaatsvinden met antibiotica en evt. pijnstillers.
Indien er sprake is van een verstopping zal deze opgeheven moeten worden zodat de blaas weer geleegd kan worden. Hierbij zal de dierenarts een katheter via de plasbuis in de blaas brengen. De katheter zal meestal een paar dagen blijven zitten. Daarnaast zal de kat, ter oplossing van het aanwezige gruis en ter voorkoming van het ontstaan van nieuw gruis, een speciale voeding moeten krijgen. Tevens zorgt dit voer voor een toename van het urinevolume zodat de kat meer gaat plassen en zo zijn blaas spoelt, en ondersteunt het de blaaswand.
In een enkel geval blijkt het niet mogelijk om de urineverstopping op te heffen. Dan is als uiterst redmiddel nog een operatie mogelijk.
Deze operatie kan ook een oplossing zijn voor katers die regelmatig verstopt geraken. Het nauwe, laatste gedeelte van de urinebuis wordt verwijderd, zodat het gruis zonder problemen kan worden uitgeplast.


KATTENZIEKTE
Introductie
Kattenziekte is een virusinfectie van het maagdarmkanaal. Tevens tast het de afweer aan doordat de meeste witte bloedcellen doodgaan. Het virus komt overal op de wereld voor en is zeer besmettelijk.
Zonder behandeling sterft meestal meer dan 90% van de besmette dieren. Bij kittens is de sterfte vaak 100%.
Symptomen
· Sloom
· Hoge koorts (vaak 40-41°C)
· Verlies aan eetlust
· Veel braken
· Bloederige dunne ontlasting (diarree)
· Uitdroging
· Heftige buikpijn
· Neurologische klachten (bij besmeting van de foetus in de baarmoeder)
Door de verminderde afweer kunnen andere infecties het ziektebeeld verergeren. Zeer jonge katjes kunnen een vreemde manier van lopen vertonen, wanneer de hersenen zijn aangetast. Kattenziekte heeft een hoog sterftepercentage, vooral onder jonge katten.
*Sommige katten sterven zonder ziekteverschijnselen.
Diagnose
De diagnose wordt definitief gesteld door weefselonderzoek (histologie) van darmen en lymfeklieren of via testen die het virus rechtstreeks aantonen in diarree of bij het weefselonderzoek.
Behandeling
Als een kat direct naar een dierenkliniek gebracht wordt, ligt de sterfte ondanks een optimale behandeling vaak toch nog op 50-70%. Kattenziekte is daarbij de meest dodelijke virusinfectie bij de kat.
De behandeling bestaat uit anti braakmiddelen en vochtinfusen om de uitdroging tegen te gaan.
Daarnaast is het dier zeer vatbaar voor bijkomende infecties en longontstekingen. Ten eerste omdat het virus bijna alle witte (afweer) bloedcellen doet verdwijnen en ten tweede omdat het darmslijmvlies zo wordt aangetast dat bacteriën uit de darm heel makkelijk het lichaam binnendringen.
Besmetting
De overdracht van het virus gaat via braaksel en de diarree. Het virus kan in de buitenwereld vrij lang besmettelijk blijven.
Het virus is dus zeer moeilijk weg te krijgen, zodat een eenmaal besmette ruimte jarenlang gevaarlijk kan blijven voor andere katten (als er niet adequaat wordt gereinigd).
Katten die nooit buiten komen lopen natuurlijk minder risico op besmetting. Maar zoals blijkt kun je als mens de ziekte ook overdragen. Ongewild en onbewust kun je het virus meenemen naar huis.
Inenting
Tegen kattenziekte moet voor het eerst geënt worden op een leeftijd van 9 weken. Daarvoor slaat een enting vaak niet aan omdat de afweerstoffen die het kitten van de moeder (via de melk) heeft meegekregen tot de leeftijd van 6 weken nog volop werken en de entstof "neutraliseren". Daarna verdwijnen deze van de moeder meegekregen afweerstoffen langzaam.
De tweede enting (booster) moet 3-4 weken later plaatsvinden als de kat 12-13 weken oud is.
Hervaccinatie is beslist nodig maar behoeft maar om de 2-3 jaar te worden gegeven.
Suikerziekte
Introductie
Bij de vertering wordt het voedsel afgebroken tot bruikbare bouwstenen voor het lichaam; koolhydraten worden omgezet in suikers, waarvan glucose de belangrijkste is. Glucose wordt vanuit de darmen opgetrokken om de lichaamcellen te voeden. Dit kan enkel gebeuren dankzij het hormoon insuline.
Insuline wordt geproduceerd in de pancreas/alvleesklier en wordt in het bloed afgegeven.
In de loop van het leven kunnen deze cellen "uitgeput" raken. Dit gebeurt vooral bij dieren waarbij deze cellen erg hard moeten werken. Als er te weinig insuline aktief is, blijft het glucosegehalte in het bloed te hoog en spreekt men van suikerziekte of diabetes.
Symptomen
Als het glucosegehalte in het bloed te hoog ligt, zullen de nieren het teveel aan glucose uit het lichaam verwijderen via de urine. De glucose, die in de urine terechtkomt, neemt extra vocht mee.
Het gevolg daarvan is dat het dier meer urineert en tenslotte ook meer zal drinken. Omdat de glucose, die een belangrijke brandstof voor het lichaam is, nu verloren gaat, zal de kat meer eten en toch gewicht verliezen. Vervolgens worden de dieren minder levendig en kunnen ze uiteindelijk ernstig ziek worden. Hierbij kan ook onomkeerbare blindheid ten gevolge van vertroebeling van de lens (lenscataract) optreden.
De belangrijkste verschijnselen zijn dus:
- Veel drinken en plassen
- Veel eten
- Vermageren
Behandeling
Suikerziekte wordt veroorzaakt door een tekort aan insuline. Daarom moet dit tekort dagelijks worden aangevuld met insuline. Als eigenaar van een kat met suikerziekte moet worden geleerd insuline onderhuids te injecteren; dit lijkt eng, maar in de praktijk valt het reuze mee. Omdat de hoeveelheid insuline is afgestemd op de hoeveelheid glucose die uw dier op een dag nodig heeft, is regelmaat in de voeding belangrijk.
Uw dierenarts zal aan de hand van het gewicht van uw kat een begindosis uitrekenen. Door op vaste tijden na de insulinetoediening het bloedglucosegehalte te meten met behulp van een glucosemeter kan uw dierenarts zien of deze dosis nog moet worden bijgesteld. Dit houdt in dat in de beginperiode het bloedglucosegehalte regelmatig moet worden gecontroleerd.
Als eenmaal de juiste dosis insuline is vastgesteld, zal uw kat snel herstellen. Hij/zij wordt levendiger en het vele drinken en plassen zal afnemen. Ook kan het aantal controles nu worden verminderd. Regelmatige controle blijft echter wel noodzakelijk, want na verloop van tijd kan de behoefte aan insuline veranderen en kan een aanpassing van de dosering nodig zijn. Als uw kat eenmaal goed is ingesteld, kan hij een normaal leven leiden.
Waar moet u op letten bij het toedienen van de insuline?
- Een aangepaste spuit gebruiken.
- Geen lucht op te trekken in de spuit in plaats van insuline.
- Altijd op dezelfde manier prikken.
- Het insulineflesje in de koelkast bewaren en voor gebruik heel voorzichtig een paar keer omdraaien (niet schudden!).
- Nooit zelf de dosis aanpassen, maar altijd advies vragen aan uw dierenarts.
- Het tijdstip van toediening heel strikt naleven.
Hypoglycemie
Een te laag bloedsuikergehalte kan levensbedreigend zijn. Daarom is het heel belangrijk dat u de verschijnselen herkent: honger, rusteloosheid, trillen of rillen, vreemde bewegingen, evenwichtsstoornissen, bewusteloosheid.
In zo'n geval moet u:
- Zo vlug mogelijk voedsel geven.
- Als uw huisdier niet wil eten, zo snel mogelijk dextrose, druivensuiker of honing op de tong en in de mond wrijven.
- Daarna zo snel mogelijk uw dierenarts contacteren.


Hypertrofische cardiomyopathie (HCM)
Introductie
Het hart is een pomp die de bloedcirculatie in het lichaam verzorgt. Net als bij mensen heeft het hart van een kat vier compartimenten: de rechter boezem, de rechter kamer, de linker boezem en de linker kamer. De hartkleppen zorgen er voor dat het bloed maar één kant uit kan en verhinderen dat het terugstroomt.
HCM of hypertrofische cardiomyopathie is een hartafwijking die voorkomt bij katten en waarbij door een abnormale verdikking van de hartspier het pompvolume van het hart gaat verminderen met een gebrekkige bloedcirculatie tot gevolg.
Fysiopathologie van HCM (hoe ontstaat HCM?)
Door de verdikking van de hartspier wordt de ruimte in de linker kamer sterk verkleind. Daardoor is de hoevelheid bloed per slag verlaagd.
Het lichaam reageert hierop door het hart sneller te laten kloppen, om op deze manier voldoende bloed rond te pompen. Maar doordat het hart nu sneller moet werken, zal de hartspier snel dikker worden.
Op een gegeven moment is de hartfrequentie zo hoog dat de hartkamer te weinig tijd krijgt om zich te vullen met bloed en wordt er per hartslag weer te weinig bloed rondgepompt. In dit stadium zal het dier klachten gaan vertonen die kunnen bestaan uit: sloomheid, kortademigheid,slecht eten, verslechterde conditie, etc.
Door de veranderingen in het hart, treden er ook veranderingen in de bloedstroom op. Op sommige plekken zal het bloed sneller stromen, waar op andere plekken de bloedstroom ‘stil staat' . Wanneer bloed stil staat, stolt het bloed en wordt er een stolsel gevormd (ook wel thrombus genoemd).
Dit stolsel kan elders in de bloedsomloop (meestal in kleinere vaatjes) vastlopen en voor acute problemen zorgen (zoals nierfalen of kreupelheid en verlamming van de achterpoten).
Ook kan door de sterke vergroting van de cellen van de hartspier, de zuurstofvoorziening van deze spier zelf tekort schieten. Hierdoor kunnen de hartspiercellen beschadigd raken, met ritmestoornissen en in het ergste geval een hartaanval als gevolg.
Oorzaken
A.- Hyperthyreoïdie: een te hoog niveau aan schildklierhormoon zorgt voor overstimulatie van de hartspier.
B.- Te hoge bloeddruk: het hart moet steeds meer kracht zetten om tegen de te hoge bloeddruk in te werken; (o.a. kan het gevolg zijn van een slechte nierfunctie: chronische nierinsufficiëntie)
C.- Genetisch: tgv mutaties in verschillende genen (dit komt mn voor bij de Maine Coon en de Americain Shorthair). Daarom is het ten zeerste belangrijk om eventuele dragers op te sporen en deze dieren niet voor de fokkerij te gebruiken.
*Tenslotte: niet elke hartaandoening bij de kat is HCM. Er komen ook hartklepdefecten voor.
Symptomen
Het is heel goed mogelijk dat een kat niet of nauwelijks symptomen vertoont. Het eerste symptoom kan een plotselinge dood zijn. De volgende klachten zijn mogelijk:
- Benauwdheid
- Versnelde ademhaling
- Sloomheid
- Ondertemperatuur
- Verlamming van de achterpoten
- Slechte eetlust
- Braken
- Vermageren
Diagnose
In de meeste gevallen is het zo dat een hartruis wordt ontdekt. Het advies is dan om een echo te laten maken van het hart.
Met echocardiografisch onderzoek kun je de verschillende hartkamers, hun wand en de hartkleppen in beeld brengen. Hierop kunnen een aantal parameters gemeten worden die ons kunnen helpen om de diagnose met zekerheid te stellen.
Het is dan meteen duidelijk in welk stadium van de ziekte de kat zich bevindt en de juiste medicatie en prognose kan dan worden gegeven.
Therapie
1.- Bij een kat met een hypertrofische cardiomyopathie is een ß-blokker (bv. Atenolol) het eerste keus-medicijn. Die zorgt ervoor dat de hartslag langzamer wordt en dat de bloeddruk daalt. Hierdoor heeft de hartspier zelf ook minder zuurstof nodig en zal het proces van verdere verdikking van de hartspier afnemen.
2.- Daarnaast worden vaak ACE-remmers gebruik (bv. Fortekor). Dit is een middel dat de bloedvaten wijder maakt en voor meer vocht uitscheiding zorgt. Hierdoor daalt de bloeddruk en wordt het hart minder belast.
3.- Igv thromboserisico adviseren we Acetyl Salicylzuur (aspirine) te geven om de vorming van stolsels tegen te gaan.
4.- Indien nodig kan er ook Furosemide (plastabletten) worden gegeven, een middel dat de vochtafdrijving stimuleert.
Prognose
De prognose is onzeker en in principe is genezing niet mogelijk. Door de medicatie wordt de voortgang van de aandoening afgeremd en daardoor zal het dier een langere levensverwachting hebben. Het is wel belangrijk om een mogelijk achterliggende oorzaak te diagnosticeren en behandelen (bv. nierinsufficientie of hyperthryroidie).

FIP (Feline Infecteuze Peritonitis)
De afkorting 'FIP' staat voor Feline Infectieuze Peritonitis. FIP wordt veroorzaakt door het feline coronavirus. Dit virus is in eerste instantie onschuldig en veroorzaakt alleen wat lichte diarree, echter als het muteert kan de ziekte FIP ontstaan.
Of het onschuldige coronavirus in het lichaam van de kat muteert tot FIP hangt af van een aantal factoren. De belangrijkste zijn andere virusinfecties en het doormaken van stress (zoals teveel katten in een groep, dracht en geboorte, verhuizing, nieuwe eigenaar, andere kat in de groep, etc). Katten die jonger zijn dan 2 jaar, of ouder dan 10 jaar, kunnen eerder FIP ontwikkelen.
Fysiopathologie van FIP
Er zijn 2 vormen van FIP: de natte- en de droge vorm:
1.- De natte vorm van FIP
Dit is de acute vorm van de ziekte. Kleine bloedvaten in de buik en/of borstholte raken beschadigt door de ontsteking en zullen vocht gaan lekken. Hierdoor onstaat er vocht in de buik en/of borstholte. Dit vocht is vaak geel en dradentrekkend.
Katten met deze vorm van FIP zijn erg ziek. Ze hebben vaak hoge koorts en een dikke buik. Ze kunnen ook benauwd zijn als er vocht in de borstholte aanwezig is.
2.- De droge vorm van FIP
De droge vorm van FIP is de meer chronische vorm van de ziekte.
Bij deze vorm ontstaan er in verschillende organen (lever, nieren, ogen, hersenen, etc) kleine ontstekingshaarden. Katten die aan deze vorm lijden hebben vage symptomen zoals sloomheid, vermageren, slechte eetlust en bleke slijmvliezen.
Diagnose
Het is heel moeilijk om de diagnose FIP bij een levende kat te stellen. Er zijn wel een aantal verschijnselen die sterk in de richting van FIP kunnen wijzen:
Bij de natte vorm is dat het gele, dradentrekkende vocht wat in de borst- en buikholte aanwezig is. Verder wordt bij FIP vaak een hoog gehalte aan een bepaald soort eiwit gevonden (de zgn. gamma-globulines, dit zijn de antilichamen die gevormd worden tegen het virus).
De definitieve diagnose FIP kan alleen gesteld worden door het aantonen van het virus in weefsels. Dit kan dus alleen via biopten uit organen of bij sectie.
Over het algemeen wordt op basis van de lichamelijke verschijnselen en de bevindingen bij klinisch onderzoek en bloedonderzoek een waarschijnlijkheidsdiagnose van FIP gesteld.
Behandeling
FIP is een ongeneeselijke aandoening. Als er een behandeling gestart wordt, is het alleen om de kwaliteit van het leven te verhogen. De meeste katten met de natte vorm van FIP overlijden vaak binnen enkele binnen enkele dagen tot weken. Bij droge vorm is de levensverwachting langer, dan gaat het vaak om maanden tot jaren.
Door middel van medicijnen die het immuunapparaat onderdrukken (o.a. prednison) kunnen de symptomen van FIP verminderd worden. Soms kan de behandeling van prednison gecombineerd worden met het geven van een virusremmer, interferon. Maar er is nog weinig ervaring over de werkzaamheid van interferon bij FIP bij katten.
Arthrose
Arthrose wordt ook wel gewrichtsslijtage genoemd. Bij honden en mensen is dat al jaren bekend, maar arthrose bij de kat wordt vaak over het hoofd gezien.
Men dacht dat arthrose bij de kat nauwelijks voorkomt, inmiddels weten we wel beter!
Zeker bij de oudere kat komt arthrose voor, maar liefst 65 % van de oudere katten heeft er last van, alleen is het moeilijk om dit vast te stellen.
Katten zijn immers goed in het verbergen van chronische klachten.
Wat is arthrose?
Het kraakbeen van de gewrichten slijt en in een later stadium kan ook het bot en het gewrichtskapsel betrokken raken bij dit proces van verval. Het proces treedt heel geleidelijk op. Gewrichtsslijtage is een aandoening die in alle gewrichten kan voorkomen, maar vooral ellebogen, heup- en kniegewrichten zijn er gevoelig voor. Door een bepaalde oorzaak (trauma) in het gewricht wordt het op gang gebracht, daarna houdt het zichzelf in stand en wordt de slijtage steeds erger.
De slijtage van het kraakbeen zal een ontstekingsreaktie en pijn geven. Het lichaam gaat proberen de gewrichten te stabiliseren. Er zal nieuw botweefsel gevormd worden in het kapsel dat om het gewricht zit. Daardoor wordt de bewegingsmogelijkheden van het betrokken gewricht beperkt.Dit kan ook rontgenologisch vastgesteld worden.
Hoe herkent u arthrose bij de kat? Ofwel wat zijn de symptomen die een aanwijzing zijn voor (chronische) pijn bij de kat.
1.- Verandering in gedrag:
-Meer gestresst, pootje heffen, gapen, veel likken, hijgen
-Angstiger
-Meer miauwen, communicatie naar eigenaar
-Agressiever naar eigenaar en andere dieren
-Minder eten
2.- Verandering in mate van beweging:
-Minder springen
-Minder vaak buiten
-Krabt minder aan behang, meubels enz.
-Minder gekke momenten
-Meer slapen
3.- Overdreven poetsgedrag
Er komen endorfines vrij waardoor de kat zich beter voelt.
4.- Anders reageren dan eigenaar gewend is
-Niet meer geaaid willen worden
-Niet meer opgepakt willen worden
-Niet meer langs benen strijken
-Eigenaar niet meer begroeten bij thuiskomst
5.- Onzindelijkheid
-Te pijnlijk om in kattenbak te komen
Wat kan je doen aan een kat met arthrose?
Natuurlijk zal eerst door de dierenarts gekeken moeten worden of er inderdaad sprake is van arthrose. Vaak is het nodig om een of meerdere rontgenfoto’s te maken.
A.- Pijnstilling :
o.a. meloxicam. Dit is een vloeibare pijnstiller wat in de bek of over het voer van de kat gegeven kan worden. Het bestrijdt de pijn en remt de ontstekingsreaktie af. Het is zeer gebruiksvriendelijk, wordt goed geaccepteerd door de kat en kan in tegenstelling van andere pijnstillers langdurig gebruikt worden.
B.- Dieet:
Liefst een voeding die rijk is aan glucosamiden en visoliën om het gewrichtskraakbeen te ondersteunen.
Bv. J/D van Hill’s of Mobility support van Royal canine ( bij de dierenarts verkrijgbaar). Bij langdurig gebruik kan vaak de dagelijkse dosering van pijnstillers omlaag gebracht worden.
C.- Gewicht:
Zware katten belasten hun gewrichten meer dan lichte katten. Indien uw kat overgewicht heeft, laat de kat dan eerst afvallen.
Arteriële trombo-embolie (ATE)
Een trombo-embolie is de vorming van een stolsel (trombus of bloedklonter) die los kan raken (embolus) en vast komt te zitten in een bloedvat.
Hoewel dit op alle leeftijden kan voorkomen, komt het vaker voor bij katten tussen 4 en 7 jaar oud. Katten met een verhoogd risico op HCM (Hypertrofische cardiomyopathie), hebben een verhoogd risico om ATE te krijgen.
Bij HCM is de kans groot dat in de vergrote linkerboezem het bloed niet voldoende circuleert en bloedklonters gevormd worden. Als de trombus (of een stuk ervan) loskomt, vertrekt deze via de linkerkamer naar de aorta. Dan komt in meer dan 90% van de gevallen vast te zitten waar de aorta zich in 3en splitst (aorta trifurcatie, zie beeld) om de beide achterpoten en de staart van bloed te voorzien. De net nog rondlopende kat kan een of beide achterpoten plotseling niet meer gebruiken.
Symptomen
De klinische symptomen zijn afhankelijk van de plaats waar de trombus vastloopt en het onderliggende hartprobleem.
A.- In 80% van de gevallen is er sprake van een trombus ter hoogte van de aorta trifurcatie. In dit geval zijn de symptomen zals volgt:
1.- Paralyse posterior (verlamming van de achterpoten)
2.- Extreme pijnlijkheid
3.- Afwezigheid van een perifere pols en koud aanvoelende voetzolen
4.- Cyanosis (blauw worden) van nagelranden en voetzolen
B.- Andere lokaties zijn de arteria brachialis (verlamde voorpoot, meestal de rechter), slagaders van de nieren (acute nierfalen) of longen (benauwheid), etc.
Diagnose
De diagnose ATE wordt meestal gesteld op grond van de anamnese en de klinische symptomen.
Röntgenonderzoek van de thorax kan aanwijzingen geven voor congestief hartfalen maar is niet gevoelig of specifiek genoeg om een onderliggend hartprobleem vast te stellen of uit te sluiten. Daarom is een goed uitgevoerd echocardiografisch onderzoek noodzakelijk.
Behandeling
Er zijn weinig succesvolle therapeutische mogelijkheden en de kansen op een recidief zijn groot. Gezien de slechte prognose en extreme pijnlijkheid bij sommige patiënten, is euthanasie een optie die serieus overwogen dient te worden
De behandeling wordt gericht op palliatieve zorg, het oplossen van de trombus (trombolyse) en het voorkomen van recidief van een nieuwe trombo-embolie.
A.- Palliatieve zorg:
Rust, pijn verminderen, bloeddoorstroming bevorderen en (mogelijk) hartfalen behandelen of voorkomen. Vooral het bestrijden van de pijn is cruciaal!
Pijnbestrijding dient bij voorkeur te bestaan uit een opiaat (morfine-achtige)
Een onderliggende hartziekte, al dan niet in combinatie met congestief hartfalen, dient ook behandeld te worden zodra de patient stabiel is.
Naast de palliatieve zorg, is de behandeling gericht op trombolyse en preventie van hertrombosering.
B.- Trombolyse:
B.1.- Chirurgische verwijdering van emboli is bij katten wel uitgevoerd, maar met gemengde resultaten. Bij katten met ATE door een myocardiale aandoening is het anesthesie risico groot. Bovendien is de operatie technisch moeilijk.
B.2.- Er zijn tot op heden weinig betrouwbare studies die aantonen dat er medicamenten bestaan die een trombus kunnen oplossen (zijn bovendien zeer kostbaar en met grote kans op ernstige bijwerkingen).
C.- Preventie van hertrombosering
Dit wordt bereikt door vasodilatoren te geven (bv. acepromazine) en acetylsalicylzuur (aspirine) (is in vitro bewezen dat het samenklonteren van bloedplaatjes van katten wordt geremd).
Middelen zoals warfarine en heparine zijn minder geschikt als profylaxe door de hoge incidentie van bijwerkingen.
